Week 43 : Hogere belasting voor Zzp’ers in 2025, bescherming tegen schijnzelfstandigheid en uitstel WTTA

Nieuws

Zzp’ers gaan meer belasting betalen in 2025 door daling van zelfstandigenaftrek

Met de nieuwe belastingmaatregelen voor 2025 zullen veel zzp’ers meer belasting gaan betalen door wijzigingen in de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling. Vanaf 2025 wordt de zelfstandigenaftrek verder verlaagd van €3.750 naar €2.470, een reductie die vooral zzp’ers met een middeninkomen treft. Voor zzp’ers met een bruto inkomen rond het modaal betekent deze aanpassing netto honderden euro’s extra belasting.

De mkb-winstvrijstelling daalt ook, van 13,31% naar 12,7%, wat inhoudt dat ondernemers uiteindelijk belasting betalen over een groter deel van hun winst. De veranderingen in de fiscale aftrekken maken deel uit van een bredere beleidslijn van de overheid om het belastingvoordeel voor zzp’ers meer in lijn te brengen met dat voor werknemers in loondienst.

Daarnaast is er een verhoging van de premie voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) aangekondigd, die zowel zelfstandigen als werknemers zal raken. Zzp’ers met lagere inkomens (tot €29.100) betalen vanaf 2025 geen inkomstenbelasting door de heffingskortingen, maar kunnen toch een daling in netto-inkomen zien door de hogere Zvw-premie. De belastingverhogingen worden deels gecompenseerd door een verlaging van het belastingtarief in de eerste schijf en hogere schijfgrenzen, maar vooral zelfstandigen met lagere winsten kunnen hierdoor financieel zwaarder belast worden.

Het Belastingplan 2025 richt zich erop om de fiscale voordelen voor zzp’ers en werknemers te harmoniseren, een stap die echter weerstand oproept onder zelfstandigen die hun ondernemerschap zien als een noodzaak in plaats van een keus voor een fiscaal gunstiger positie. Voor zzp’ers met lagere en middeninkomens is dit een belangrijke verandering die het netto-inkomen direct zal beïnvloeden.

Bescherming tegen schijnzelfstandigheid: zin of onzin van een bv-structuur

Met de opheffing van het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid, die op 1 januari 2025 ingaat, zoeken veel zelfstandigen naar manieren om hun zelfstandige status beter te beschermen. Een optie die vaak wordt genoemd, is het oprichten van een besloten vennootschap (bv) en zichzelf aanstellen als directeur-grootaandeelhouder (dga). De redenering is dat zzp’ers zich op deze manier als formele entiteit presenteren en daarmee niet onder schijnzelfstandigheid zouden vallen. HR-dienstverlener HeadFirst Group benadrukt echter dat deze constructie niet automatisch beschermt tegen schijnzelfstandigheid en adviseert zzp’ers om deze optie zorgvuldig te overwegen.

De Belastingdienst beoordeelt de aard van de arbeidsrelatie aan de hand van ‘feiten en omstandigheden’, zoals vastgelegd in het recente Deliveroo-arrest, en niet uitsluitend op basis van de juridische structuur. Een zelfstandige kan dus via een bv werken en toch als schijnzelfstandige worden aangemerkt als de werkrelatie feitelijk op een arbeidscontract lijkt. De juridische structuur alleen biedt dus geen garantie voor bescherming tegen controle door de Belastingdienst.

Er zijn wel fiscale voordelen verbonden aan een bv-structuur, zoals andere belastingtarieven op bedrijfswinsten. Maar deze voordelen zijn vaak pas gunstig bij een jaarlijkse winst tussen de €100.000 en €200.000, wat betekent dat de meeste zelfstandigen met een kleinere omzet hier weinig baat bij hebben. De feiten van de werksituatie blijven bepalend voor de Belastingdienst. Het blijft dus essentieel dat zzp’ers daadwerkelijk zelfstandig werken en niet afhankelijk zijn van één opdrachtgever of een vaste werkstructuur die op een dienstverband lijkt.

HeadFirst Group benadrukt daarnaast het belang van zelfredzaamheid en het creëren van een diverse klantenkring om de zelfstandige status te kunnen behouden, in plaats van te vertrouwen op een juridische constructie als bescherming.

Uitstel van de Wet TTA door uitvoeringsproblemen

De invoering van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (WTTA) wordt opnieuw uitgesteld. Deze wet was oorspronkelijk gepland om per 1 januari 2026 in werking te treden, met handhaving vanaf 2027. Echter, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aangekondigd dat screeningsautoriteit Justis, die als Toelatende Instantie zou optreden, heeft aangegeven niet in staat te zijn de uitvoering van de wet op zich te nemen. Minister Eddy van Hijum werkt nu aan alternatieve oplossingen, maar meer duidelijkheid zal er pas in januari 2025 zijn.

De WTTA is bedoeld om de uitzendsector te reguleren en te controleren, met het oog op het beschermen van arbeidsmigranten en het handhaven van ethische werkstandaarden in de sector. Alleen toegelaten uitzendbureaus en intermediairs zouden mogen opereren in deze gereguleerde markt. De brede opzet van de WTTA zou echter ook gevolgen hebben voor zzp’ers, aangezien alle bedrijven die arbeidskrachten ter beschikking stellen verplicht een toelating zouden moeten hebben om op de markt te opereren.

Brancheorganisaties zoals ABU en NBBU steunen de beslissing om zorgvuldigheid voorop te stellen in de implementatie van deze wet. De ABU pleit voor een flexibele en uitvoerbare wet, waarbij ruimte is voor maatwerk. Een starre uitvoering zou volgens hen schadelijk kunnen zijn voor de vele bonafide uitzendbureaus die op de markt actief zijn. Ook de NBBU waarschuwt dat het belangrijk is dat de uiteindelijke uitvoerder volgens de principes van het Werk aan Uitvoering (WaU)-programma kan werken, wat betekent dat de uitvoerder flexibel en toekomstbestendig moet zijn om onnodige administratieve lasten te vermijden.

Hoewel het uitstel betekent dat de handhaving verder weg lijkt, is de sector alert op verdere ontwikkelingen. De branche wil een gelijk speelveld creëren waarin werknemers goed beschermd zijn en bonafide ondernemingen de kans krijgen om zich te onderscheiden van malafide aanbieders.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *